The Westkust resistance of 1925–1927 was the last large opstand of the Atjeh-oorlog. It began in the southern Westkust landschapjes — Bakongan, Kandang, Troemon, Kloeët, Mengamat — and in 1925 was de spanning steeds grooter geworden, en er was volk genoeg voor een “prang sabil”. Its leaders were old men of the oude school: T. Bin Blang Pidië, die zich in 1908 bij Veltman had onderworpen, den befaamden, zeer gevaarlijken Tengkoe Poetih, kleinzoon van den heiligen “Habib Seunagan”, and Imeum Sabi; but the central figure was Tjoet Ali, die in het veld en achter de schermen de leiding had. The Dutch suppression was, Zentgraff writes, veel erger dan de buitenwereld wist — much worse than the outside world knew.
The symptoms, 1924-1925
Het volk had, na de vroegere campagne, het hoofd gebogen, doch in den geest was weinig of niets veranderd. De oude strijdlustige geest had zich het langst gehandhaafd; er hing steeds eene spanning welke bij elke gelegenheid kon explodeeren. Op de Westkust had de oude strijdlustige geest zich het langst gehandhaafd. In 1924 traden reeds symptomen op: *‘s avonds werden de heilige boeken gelezen, en de oude aanvoerders, sommigen uit de oude school van groote voorgangers, *sproken over den prang sabil. In 1925 was de spanning steeds grooter geworden, en er was volk genoeg voor een “prang sabil”.
Wat de aanvoerders betreft, er waren er nog enkele uit de oude school van groote voorgangers als T. Bin Blang Pidië, die zich in 1908 bij Veltman had onderworpen, en van den befaamden, zeer gevaarlijken Tengkoe Poetih, kleinzoon van den heiligen “Habib Seunagan”, wiens graf tot dezen dag nog in hoog aanzien staat bij alle menschen van de Westkust. Dan waren daar Imeum Sabi, een man, die ook heel aardig zijn partij had meegeblazen in den ouden prang, en nog eenige cadets met ervaring en reputatie.
The patrouille disasters of 1926
Vooral die van Seunagan, het traditioneele land van de klewangaanvallen, waren voor onze soldaten gevaarlijke tegenstanders. De Atjeher hier viel altijd aan met vollen inzet van zijn persoon, en vocht voor alles wat hij waard was. Men vindt te Bakongan op het kerkhof een dubbele grafzerk, van onder tot boven, en in twee rijen, bedekt met de namen der dooden van de patrouille van luit. Donner in 1905.
Op dergelijke verrassingen moet in dat deel der Westkust altijd worden gerekend; de patrouille-Grünefeld, in Maart 1926 van Singkel naar Troemon vertrokken, werd door gebrek aan waakzaamheid van een schildwacht bijna geheel afgemaakt, waarbij vijftien karabijnen verloren gingen. Zoo ging het ook met de brigade onder kapitein Paris; van eene fout van den commandant maakte de vijand bij Sapé gebruik. Men herinnert zich dat ongelukkige gevecht, waarbij Paris met bijna zijn heele brigade sneuvelde, en den heldenmoed van den Jav. maréchaussée Kromodikoro die, zwaar gewond, het commando overnam en het restje der brigade tot standhouden wist aan te vuren. Elke vergissing is hier betaald met bloed: het ongeluk met de patrouille Wiarda in 1926; de dood van luit. Molenaar op het erf van het volksschooltje Teureubangan — het is eene lange en huiveringwekkende lijst.
De patrouille-Batten die zich kranig weerde en geen enkele karabijn verloor, hoewel zij vele gewonden kreeg; de vijand liet 10 dooden liggen. Nog slechter kwam hij weg bij een attaque op de patrouille-Klaar, die geducht van zich afsloeg en zoo uitmuntend vocht, dat luitenant Klaar er het Kroontje mee verdiende. Vooral in Mei en Juni 1926 trad de bevolking van Troemon zeer uitdagend op. In Juli 1926 deed Tjoet Ali met zijn mannen nog een klewangaanval op de patrouille-Schreuder, doch had geen succes.
The Teureubangan killing of luit. Molenaar
Later, toen luitenant Molenaar, behoorend tot eene patrouille onder Behrens, bij een nachtelijken aanval op het erf van het volksschooltje te Teureubangan werd gedood — dit was het proefstuk van Teukoe Nago om aanvoerder te kunnen worden — en Behrens met het lijk van den officier afmarcheerde, kwam er een Atjeher met een briefje van Tjoet Ali waarin deze zeide: ik sta hier met 80 djahats, en als U niet met minstens 120 soldaten komt, kunt U beter thuis blijven. Tjoet Ali was heel sterk in het schrijven van zulke brieven.
Van Heerde wounds Tjoet Ali
Luitenant van Heerde maakte een goede beurt toen hij, op marsch van Troemon naar Boven-Bakongan, een troep vijanden onder Tjoet Ali een flinken klap toebracht waarbij dit hoofd werd gewond en 6 karabijnen op hem werden heroverd. Tjoet Ali moest een tijdlang worden verpleegd in kampong Kroeëng Bateë, terwijl zijn bende naar Troemon terugkeerde.
Snell’s 8-brigade omsingeling
Toen Snell er de lucht van kreeg dat de vijand in Kroeëng Bateë en omliggende kampongs zat, trok hij er op uit met 8 brigades voor een belagering welke een succes werd. De kampongs werden omsingeld en doorzocht, en de vijand kreeg een klap die aankwam. De aanvoerder, Tengkoe Mauloed, sneuvelde, en Snell heroverde 7 karabijnen. Toch was de strijd hiermee nog lang niet afgeloopen; Tjoet Ali was weer hersteld, en er bleef groote lust bestaan om zich bij hem en zijn “camarades” aan te sluiten.
Gosenson and the close
The end came with kapitein Gosenson, in Juli 1926 te Bakongan ingedeeld bij den troep van Behrens. In Mei 1927 liet hij een nachtelijken aanval doen op het marschbivak Mengamat, waar luitenant Harting het commando had — zes of zeven Atjehers kwamen binnen, doch de militairen hielden het hoofd koel, and Imam Sabi was gewond. The end was the killing of Tjoet Ali at the Aloeë near Kandang on 25 May 1927.
Significance
The Westkust resistance of 1925–1927 was the last massale rising of the Atjeh-oorlog. With the death of Tjoet Ali, was de kern van het verzet uitgeroeid; the Westkust would know smaller opflakkeringen — the Lhong risings of 1933 and 1935 — but no comparable rising until the Japanese invasion. The resistance produced, Zentgraff writes, een nieuwe kern van haat — a new kernel of hatred — and the long aftermath of the Atjeh-oorlog would, on the Westkust, continue to flow from it.
Account from the Maréchaussée Jubileum-nummer (1930) — the Maréchaussée in the Westkust action
the 1930 jubilee number of Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië treats the Westkust action as the occasion on which the Korps Maréchaussée “toonde haar onmisbaarheid opnieuw aan” — demonstrated its indispensability anew — after the reduction of the corps in 1925 to 18 officers and 1,072 men, a reduction in which the policy of versobering (austerity) had, the editors remarked, “een hartig woord” to say.
The engagement in which Captain Paris fell
In the course of the action Captain J. Paris was killed, and on the same occasion the brigade-commandant also fell. The wounded Javanese maréchaussée Kromo-di-Koro thereupon took over the command, holding it until loss of blood threatened to make him collapse; before handing over to the Menadonese maréchaussée-soldier Suwoek he ordered shots fired into the surrounding alang-alang to drive out any Atjehnese concealed there. As a result the maréchaussée Sumangkut, himself severely wounded and unable to pursue, saw an opponent flee with a klewang and warned Suwoek, who stayed on his heels and brought him down fifty metres further on. The maréchaussée-soldier Leleng, having lost the use of his left hand through a wound, took part in the firing by placing his karabijn between his knees and discharging it with his right hand.
Of the brigade only two men remained unhurt: besides Captain Paris five other soldiers were killed and twelve more or less severely wounded; notwithstanding those losses some twenty kwaadwilligen were laid low and twenty-six klewangs captured. The full narrative is given at Gevecht waarin kapitein Paris sneuvelde (Westkust van Atjeh, 1925-1927).
The episode was cited by the editors as proof that “de oude geest van het Korps Maréchaussée was bij zijn manschappen blijven voortleven” — the old spirit of the corps had continued to live on among its men.
Snell sent from Java
When in 1925 “het op de Westkust van Atjeh opnieuw begon te spoken” and it was decided to send experienced rimboe-officers from Java, attention fell at once on Captain L. A. Snell, “een old hand” who in sixteen years had more than earned his spurs. Greeted with joy by his old comrades, he “maakte met zijn steeds van een glimlach vergezeld gaande bevelen een eind aan het verzet” — made an end of the resistance with orders always accompanied by a smile.
Aftermath
Towards the end of 1927, the government having recognised that the safety of Atjeh permitted no economies on the Maréchaussée, the corps was again raised to 23 officers and 1,214 men, and a new division was formed with Bakongan as its station.
See Also
- Tjoet Ali
- Tengkoe Poetih
- Imam Sabi
- Tengkoe Mauloed
- Teukoe Nago
- Gosenson
- Behrens
- Snell
- Veltman
- Harting
- Van Heerde
- Grünefeld
- Wiarda
- Paris
- Klaar
- Batten
- Schreuder
- Kromodikoro
- Westkust
- Bakongan
- Kandang
- Seunagan
- Djeuram
- Lhong
- Mengamat attack (1927)
- Death of Tjoet Ali (1927)
- Bakongan klewangaanvallen (1905)
- Aceh War
- 1925
- 1926
- 1927
- Het Korps Maréchaussée in Atjeh (Jubileum-nummer 1930)
- Korps Maréchaussée te voet in Atjeh en Onderhoorigheden
- Gevecht waarin kapitein Paris sneuvelde (Westkust van Atjeh, 1925-1927)
- J. Paris
- Kromo-di-Koro
- Suwoek
- C. A. Snell
Source
Atjeh, door H.C. Zentgraff. Gedrukt bij Drukkerij “De Unie”, 1938, Batavia. OCR-filename: 20260709_002148_DLP-81-Atjeh_OCR.txt.
Het Korps Maréchaussée in Atjeh: De Atjehsche Garde, 1890 - 2 April 1930 (“The Corps of Maréchaussée in Atjeh: The Atjehnese Guard”), Extra Jubileum-nummer of Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië issued for the fortieth anniversary of the corps (1930), pp. 1-16. Offprint DLP-143, Bibliotheek KITLV, accession 621 116 794.