The Death of Tjoet Ali on 25 May 1927Tjoet Ali, de groote leider van het verzet op de Westkust, “sjahid”, en het was Gosenson die hem, maar dan ook alleen naar Allah’s hoog bestel, naar het paradijs zond — was the closing episode of the Westkust resistance. Gosenson, in Juli 1926 te Bakongan ingedeeld bij den troep van Behrens, had broken Tjoet Ali’s organisation with forty onderwerpingenieder ventje dat zich wil onderwerpen, moet inleveren: klewang en rentjong of tombak; dit laatste was facultatief — and survived the May 1927 night attack on luitenant Harting’s bivak. End May 1927, een bericht dat in den boschrand, drie uren loopen van Kandang, door een man die daar ‘s middags hout sprokkelde, een bendetje was gezien; Gosenson’s night march; the spoorzoeker’s voet in zandige oever; on 25 May 1927 two hutjes by the Aloeë; six bodies, including two women, one of whom was Tjoet Ali, and Imam Sabi with a rattan korf over his back wound. Tjoet Ali’s poesaka rentjong, his mascottes — a chicken and a young ape — were taken by the brigade; de maréchaussée’s zelf maakten het graf voor Tjoet Ali met wat metselwerk en een plaat. The grave lies vlak vóór het marschbivak Kandang.

Gosenson at Bakongan, July 1926

Het begon er voor Tjoet Ali slecht uit te zien toen kapitein Gosenson in Juli 1926 te Bakongan werd ingedeeld bij den troep van Behrens, die ook nog fungeerend controleur der Zuid-Atjehsche landschappen Kloeët en Troemon was. Men vertelde dat daar in dien tijd nog maar een klein plokje djahats zat, een man of twintig, doch in werkelijkheid waren het er eenige honderden. Gosenson ging eerst naar Troemon waar hij op de grootste versnelling ageerde en in korten tijd zooveel klappen uitdeelde dat een groot aantal verzetslieden er genoeg van had en zich wilde onderwerpen. Er zat zooveel ijzer onder de bevolking dat het best met wat minder kon. Verder moesten ze zich onderwerpen op goede Atjehsche manier, dus heel duidelijk.

Den volgenden middag stonden ze alle veertig buiten het bivak, hun wapens gewikkeld in witte doeken, en de wacht liet ze één voor één binnen; het is altijd mogelijk dat die menschen zich op het laatste moment nog bedenken. Het ging echter heel goed; ze kwamen in volgorde binnen, gaven hun wapens over, knielden, brachten den kniekus en daarna den voetkus, en zeiden: “Ampòn dèësa oelon” (bede om vergiffenis), waarmee nu wel heel klaar vaststond wie voortaan in dit land de baas zou zijn.

The Mengamat attack, May 1927

In Mei 1927 liet hij een nachtelijken aanval doen op het marschbivak Mengamat, waar luitenant Harting het commando had. Tjoet Ali had een “goeden dag” uitgezocht: den nacht van Donderdag op Vrijdag, en het kan best zijn dat hij er 44 man (het welgevallige getal) voor heeft gezonden. ’s Nachts om half vier drongen zij door den pagger in het bivak; het was nieuwe maan dus stikdonker, en er viel een zacht regentje. Zes of zeven Atjehers kwamen binnen, doch de militairen hielden het hoofd koel en de maatregelen voor alarm werden goed uitgevoerd. De zeven Atjehers, in het bivak gedrongen, werden allen neergelegd; in het gevecht kregen wij acht gewonden, waarvan vier zwaar, allen met klewangwonden. Van de Atjehers die nog buiten waren werden er drie gewond, waaronder de aanvoerder Imam Sabi: hij kreeg een schot in de borst even boven het hart en de kogel ging er door den rug weer uit.

The night march to the Aloeë

Eind Mei kreeg Gosenson een bericht dat in den boschrand, drie uren loopen van Kandang, door een man die daar ‘s middags hout sprokkelde, een bendetje was gezien. Deze chabar kwam ‘s avond om 10 uur binnen, en nog denzelfden nacht ging Gosenson er op uit, met 18 karabijnen.

Met het aanbreken van den dag begonnen de spoorzoekers. Een spoorzoeker vond in de zandige oever van een aloer de afdruk van een menschenvoet. Zwijgend werden de signalen gegeven, en men doorzocht boven- en benedenstrooms van ‘t spoor, de Aloeë, waarin men, in den bodem, nog enkele flauwe sporen vond. Het troepje vijanden had getracht, door het leggen van valsche sporen den heuvel af en op, het ware spoor te verbergen, doch dit lukte niet en men vond het bij de Aloeë weer terug. Het waren de voetafdrukken van één man; blijkbaar daar door de bende achtergelaten om de fourage voor ‘t gros der bende in te wachten.

The overval, 25 May 1927

Het spoor werd gevolgd, en om 12 uur ‘s middags vond men in het bosch de plek waar de bende had gezeten. De troep was enthousiast, vooral omdat de “bekas” zeer versch was; de bende was niet ver vooruit, en zoo sloop men voort. In dien middag vond men weer zoo’n plek en hield van daar het spoor vast tot den avond, toen men er op bivakkeerde onder een paar zeilen. Er mocht wat worden gekookt omdat het pikdonker was en de rook dus niet kon worden gezien. Den volgenden morgen ging men, den neus op het spoor, weer verder; het bleek dat de vijand op zijn spoor was teruggeloopen. Op een gegeven moment kreeg men vanuit de struiken op een hoog punt een goed zicht naar beneden, waar de Aloeë stroomde, en men zag er twee tijdelijke hutjes. Om daar te komen moest men nog een steile helling af, doch met dit laatste stukje van den marsch werd nog even gewacht tot Gosenson zijn mannen precies had verteld hoe het geval nu verder moest worden afgewerkt.

Rustig vanuit de struiken de beide hutjes observeerend zag men dat in één daarvan een man en een vrouw zaten; van de overigen zag men niets. Snel werd nu de helling afgedaald, zoodat aan beide kanten der hutjes een paar maréchaussée’s zouden komen. Bij die afdaling raakte een steen los die met veel geraas in de Aloeë plofte, en de man uit het eerste hutje vloog naar buiten, onmiddellijk gevolgd door de vrouw. Gosenson hoorde hem roepen: “Ka bala” — er is onheil — en daarop vlogen de militairen verder, schietend op de vijanden die gezichtbaar werden. Het duurde maar een paar minuten. Gosenson daalde in de Aloeë af om te zien of daar nog iemand was. Toen hij boven kwam, was het afgeloopen; er lagen zes lijken, waarvan twee vrouwen, en zij werden uit het water op het droge gebracht. Gosenson kreeg onmiddellijk den indruk dat Tjoet Ali er bij moest zijn.

The grave at Kandang

De patrouille trok nu snel terug naar de dichtstbij gelegen kampong; zij nam de wapens der dooden mee en een horloge, op een der lijken gevonden. De maréchaussée’s ontfermden zich over de kip en zetten het aapje op den draagstok van een dwangarbeider, doch na enkele minuten verdween het dier; het zocht het lijk van zijn meester op. Gosenson was hiermee niet tevreden, en hij droeg de mannen van de twee valleien: Kloeët en Mengamat, te zamen 110 man, op, naar de plek te gaan waar het gevecht was geleverd om er de dooden te herkennen en te begraven; alleen het lijk van Tjoet Ali moest worden meegebracht. Bij het stinkende lijk zat het aapje, en ook dit brachten zij naar de kampong en gaven het aan de brigade die reeds de kip had. Zóó was Tjoet Ali “sjahid” geworden op 25 Mei 1927, en Gosenson besloot hem te laten begraven naar de wijze welke een respectabel en moedig tegenstander toekomt. Met het overschot van het lijk werd gehandeld zooals de Atjeher dit den “sjahid” doet, en de maréchaussée’s zelf maakten het graf voor Tjoet Ali met wat metselwerk en een plaat. Het ligt nu vlak vóór het marschbivak Kandang.

The aapje and the chicken became the brigade’s mascottes: na eenigen tijd kon het dier geen Atjeher meer zien; als er een in de buurt kwam krijschte het kwaadaardig, en liet het scherpe gebit zien.

Significance

Zoo was Tjoet Ali “sjahid” geworden op 25 Mei 1927. The grave at Kandang — vlak vóór het marschbivak, with the name Tjoet Ali on the stone, afgewerkt met den ernst en de waardigheid die mannen van wapenen voor elkaar hebben — was Gosenson’s tribute to a moedig tegenstander. With Tjoet Ali’s death, the Westkust resistance of 19251927 was broken. De Atjehers die op den weg het vlakbij gelegen graf zien, kunnen er het hunne van denken en dit zal wel niet zoo prettig voor ons zijn. Dit graf zal hen niet weerhouden, morgen opnieuw te beginnen, maar het heeft in allen gevalle geleerd dat de Kaphé en zijn maréchaussée’s weten, wat den “sjahid” toekomt, vooral: dat de Kompeuni altijd aanwezig is.

See Also

Source

Atjeh, door H.C. Zentgraff. Gedrukt bij Drukkerij “De Unie”, 1938, Batavia. OCR-filename: 20260709_002148_DLP-81-Atjeh_OCR.txt.