The Pursuit of the Tiro-oelamas from 1908 to 1910 — the systematische jacht op de laatste leden der vermaarde familie van de Tiro-oelama’s — was ordered by governor Swart in 1908 and carried out by luitenant Schmidt, who had mooi werk gedaan in Geumpang en Teunom. Schmidt, who kende de Atjehsche taal en adat als niemand anders, ging er aan vast als een foxterrier, and the pursuit ended — after the overval of 21 May 1910 (twelve dead including Tgk. di Boekit and Habib Tjoet), the killing of Tgk. Majet on 5 September 1910, and the death of Tgk. Tjhi Maät by the spoorzoeker Nussy’s shot on 9 December 1910 — with the closing of het epos der Tiro-oelama’s. The last body was buried beside the mesdjid of Tangsé, and the bevolking of Tangsé scheurde het verband in stukken — relics of the last of the Tiro-hoofden.
The brief van 18 Radjab 1325
Alvorens Swart het vernietigingsapparaat in werking zette wilde hij nog een laatste poging doen om de Tiro-Tengkoes tot onderwerping te brengen; hij liet de drie voornaamste hoofden van Atjeh een brief schrijven waarin den Tengkoes werd geraden, verder verzet op te geven. The three chiefs were Toeangkoe Machmoed (of the Sultansfamilie), Panglima Polim (the zeer invloedrijk hoofd der XXII Moekims), and Toeankoe Radja Keumala. The letter — the Brief van 18 Radjab 1325 — was written, properly sealed, and door een voornaam Atjeher, die ook het vertrouwen van de Tiro-oelama’s had, naar hun schuilplaats in het bosch gebracht. Niemand hunner was genegen den strijd op te geven; zij wilden vechten tot het einde, en met hen zou geschieden naar Allah’s wil.
Schmidt’s opdracht, of 28 February 1910, specified his strength — Eerste Luitenant, 2 Eur., Amb. en Inl. sergt., Amb. en Inl. korporaal, 17 Amb. en 17 Inl. maréch., Eurp. korp. ziekenverpleger, mandoer en 24 dwangarbeiders — and his task: het opsporen en tot onderwerping brengen dan wel onschadelijk maken van de vijandige elementen in het landschap Tangsé.
23 April 1910: the patrol from Tangsé
Den 23sten April 1910 werd van Tangsé uitgerukt met 2 brigades en 8 dagen vivres, waarvan 4 dagen “bij den man”. The troep climbed over de rotsen bij den oorsprong van de Oloeë Laboe, and daalde langs eene levensgevaarlijke helling naar beneden; in een kouden nacht op de steenen moest worden overnacht. After five days, the gids recognised the pad dat naar de ladang van Peutoea Gam Masèn voerde; the heerscher over de tijgers was shot by sergeant Van Dongelen’s klewang — the first bendehoofd of the campaign to fall.
16 May 1910: march to Kroeëng Balé
Den 16en Mei met zijn twee brigades uit; men marcheerde langs de Kroeëng Tangsé en volgde daarna de Aloeë Do-do stroomopwaarts. Schmidt had deduced, from indirect signs, that the fourageurs of the Tiro-bende in de algemeene richting van de “poetjo” (oorsprong) der Kroeëng Balé were moving. Den 17en Mei werd, vóór de dag aanbrak, de Blang Malo overgetrokken en langs de Aloeë Seupot gemarcheerd waar ‘s avonds werd gebivakkeerd. Den 20sten Mei kapte men langs den voet der hooge tjotten naar het te voren opgemaakte plan, en ‘s middags om 3 uur vond de spits een voetpad dat nogal druk beloopen was.
21 May 1910: the overval
Den 21sten Mei ging men verder, met den neus op het pad; de sporen verdwenen telkens, omdat de fourageurs ze hier en daar onzichtbaar hadden gemaakt, doch telkens vonden onze spoorzoekers, uitzwermend in een boog, de “bekas” weer terug. Schmidt gathered his maréchaussée’s around him and fluisterde hen toe: dat men op weg was naar de schuilplaats van de hoofdleiders van het verzet in Pidië. He gelastte dat men niet meer zou loopen in eene ijle lijn, doch bij kluiten van minstens drie man bij elkaar.
The fourageurs fled into a ravine; the troep ran on. De troep rende door, en zooals te verwachten was stond de bende klaar voor het gevecht. Het woord was, na enkele schoten in het begin van de attaque, aan de klewangs, en die spraken eene zoo krachtige taal dat binnen het halfuur het werk was afgeloopen, de vervolging inbegrepen. Er lagen, bij de schuilplaats en in de struiken, elf lijken van Atjehers, en behalve wat moderne en oude schietwapens en blanke wapens vond men 6 tjaps, waarvan er één werd herkend als van Tgk. di Boekit. The body of Tgk. di Boekit himself was carried off by his people and later buried beside the eleven — twelve fresh graves on the place of the fight. Onder de dooden behoorden voorname volgelingen der Tiro-tengkoes: Tgk. Tjhēk Haroen, Tgk. Moeda Sjam, Tgk. Sjech Samin, en Habib Tjoet, zoon van den vermaarden en heiligen Habib Teupin Wan.
5 September 1910: death of Tgk. Majet
The laatste Tiro-oelama — Tgk. Majet di Tiro — was run down on 5 September 1910. Schmidt, having learned from a klikspaan that Keutjhi Bèn van Tangsé must send a rund to Tgk. Majet’s schuilplaats vóór de slametan, gaf Keutjhi Bèn het geld om het rund te koopen, dat door twee leden der bende zou worden afgehaald en naar de rimboe gebracht. The klikspaan bedong, pour acquit de conscience, dat aan die twee mannen een voorsprong van twee dagen zou worden gegeven. Den 31sten Augustus rukte Schmidt uit. Den 1sten September, speurend bij de Kroeëng Balé, zag de vermaarde spoorzoeker Nussy een voetafdruk van een Atjeher, en, nadat hij met een stokje de op het pad liggende bladeren had verwijderd, het spoor van een sapi.
In den laten middag van 3 September 1910 vond men de schuilplaats, doch de overvalling mislukte omdat een jong en onervaren maréchaussée die bij de spits liep, een Atjeher dien men toevallig tegen het lijf liep, met de karabijn neerschoot, terwijl hij dit werk met den zwijgenden klewang had behooren te doen. The bende fled; but the spits had seen den dikken, zwaargebouwden man, met zwarte jas en topi, gevolgd door een paar aanhangers, een andere richting inslaan dan de rest der bende. En den 5en September, na eene weergalooze vervolging door wild en soms begaanbaar terrein, zag men op de rotshelling den “zwaargebouwden man met zwarte jas en topi” rustend met de karabijn tusschen de knieën. De troep maakte eene omsingeling, en toen de karabijnen knetterden viel de laatste Tiro-oelama, met twee kogels in het hart. Toen zijn lijk, waarvan de wonden verbonden waren, te Tangsé werd aangebracht, scheurde de bevolking het verband in stukken, en het waren de zeer bevoorrechten die een stukje van het met bloed gedrenkte verband machtig werden. Deze reliquieën zijn nog in Tangsé, en zij worden, zeer geheim, bewaard als heilige herinneringen aan het laatste der Tiro-hoofden.
9 December 1910: death of Tgk. Tjhi Maät
Begin December, eenige dagen nà de mislukking der laatste poging, kreeg men te Tangsé bericht dat zekere Pang Tjoet, een lid der Tiro-bende, ter gelegenheid van de Hari Raja, einde der Poeasa, naar de vlakte was afgedaald. Den 9en December rukten de 5e en 6e brigade onder Schmidt uit, en hij vond de sporen, die in de richting der Aloeë Bhot leidden. Nussy — de vermaarde spoorzoeker — gebruikte hiervoor eene tirailleurfluit zooals de spits- en de brigade-commandanten hadden en welker geluid op dat van een vogel lijkt. Plots werden de takken op zij gebogen, en een zeer jonge, slanke Atjeher met sierlijk geplooiden hoofddoek en een revolver in de hand begon de helling te beklimmen. Nussy liet hen zoo dicht naderen dat hij zeker kon zijn van zijn schot. Het eerste trof den jongen Atjeher die de revolver liet vallen en neerstortte. The young man was Tgk. Tjhi Maät — gesneuveld als zijn vader die in Anakgalong viel, in den heiligen krijg. Zijn dood sloot het epos der Tiro-oelama’s af: de onverzoenlijke en sterke mannen die in de dagen onzer zwakte ons met vernederingen om de ooren sloegen, en die ten onder gingen zooals zij hadden geleefd, fier en onverzettelijk, toen ons Leger zijn zelfvertrouwen had herwonnen.
Significance
De Tiro-oelama’s stammen van een Javaansch hadji die zich lang geleden in Atjeh had gevestigd. Their ondergang — het relaas van hun ondergang — closes a chapter of the Atjeh-oorlog that had begun with the brieven of Tgk. Sjech Saman demanding that the governor embrace Islam, and that ended with Schmidt and his maréchaussée’s standing in eerbiedig zwijgen by the body of Tgk. Tjhi Maät. Het rapport eindigt op 9 December: “Verschoten patronen 72. Ingeleverd 11 hulzen en 4 houders. Verloren 61 hulzen en 11 houders.” Want de administratie moet kloppen.
See Also
- Schmidt
- H.N.A. Swart
- Tengkoe Sjech Saman di Tiro
- Tengkoe Mat Amin di Tiro
- Tengkoe di Boekit
- Tengkoe Majet di Tiro
- Tengkoe Tjhi Maät di Tiro
- Habib Teupin Wan
- Peutoea Gam Masèn
- Panglima Polim
- Pidië
- Tangsé
- Geumpang
- Brief van 18 Radjab 1325
- Sjahid
- Prang sabil
- Fall of Aneukgalong (1896)
- Schmidt’s pursuit of Habib Teupin Wan (1911)
- Aceh War
- 1908
- 1909
- 1910
Source
Atjeh, door H.C. Zentgraff. Gedrukt bij Drukkerij “De Unie”, 1938, Batavia. OCR-filename: 20260709_002148_DLP-81-Atjeh_OCR.txt.