The False T. Radja Sabi of December 1913eene der grootste, en interessantste, mystificaties welke de Atjeh-historie kent — was the substitution of a thirteen-year-old boy, Doellah, for the adelaarsjong of Keureutoe. The djaksa of Lho Soekon told the luitenant Schouten on 6 December 1913 that he could bring the long-sought T. Radja Sabi down from the mountains; that afternoon a boy van een jaar of dertien, verwaarloosd uit, zooals het geval moet zijn met iemand die lang in de bosschen heeft gezeten, was brought into Lho Soekon. The bedoegs were beaten, the crowd shouted Radja Sabi, and the boy, in het Maleisch via the djaksa, answered questions put to him. Kapitein Behrens at Leuhong questioned him on the overvallen at which the real T. Radja Sabi had been present; the boy failed on the details and confessed that he was een onderschoven object. The governor Swart nevertheless declared, at a meeting of alle hoofden van Lho Seumawé en Lho Soekon, “de jongen is Teukoe Radja Sabi”. The real T. Radja Sabi was not found until 13 March 1919.

The arrival at Lho Soekon, 6 December 1913

Den 6en December 1913 kreeg luitenant Schouten, civiel-gezaghebber van Lho Soekon, van zijn djaksa de mededeeling: dat hij in staat was den lang gezochten T. Radja Sabi uit de bergen naar beneden te brengen. Natuurlijk accepteerde Schouten dit aanbod, waarop de djaksa op zich nam hem nog denzelfden dag te halen; hij zou ten Zuiden van Panton Leubeuë door de hem vergezellende Atjehers worden overgegeven. ’s Middags om een uur of vijf ging er een geweldig rumoer door Lho Soekon; er werd op de “bedoegs” (trommen der bedehuizen) geslagen en er werd geroepen: “Radja Sabi, Radja Sabi”. Een lange stoet Atjehers naderde. Er waren eenige honderden mannen en vóór hen uit gingen de djaksa en een jongen van een jaar of dertien. Hij zag er verwaarloosd uit zooals het geval moet zijn met iemand die lang in de bosschen heeft gezeten: hij droeg een van den djaksa geleend wit pak en een koepijah op het hoofd. Het opgewonden volk riep: “áááá is hij, dáár is Radja Sabi”.

De gezaghebber liet hem in zijn huis komen en terwijl buiten het volk eerbiedig neerhurkte, begon binnen de eerste voorloopige ondervraging. Het is van belang hier te zeggen, dat de heer Schouten het Atjehsch niet machtig was en zijn vragen in het Maleisch stelde, waarna ze door den djaksa werden vertaald. Ja, zei de jongen, ik ben T. Radja Sabi, de zoon van T. Tjhi Toenong.

Behrens’s examination at Leuhong

Het groote nieuws was als een loopend vuurtje door de streek gegaan; kapitein Behrens, commandant der 5e divisie te Leuhong, kwam er voor over en vroeg of hij den jongen eenige vragen mocht stellen hetgeen werd toegestaan; luitenant Bannink was hierbij tegenwoordig. Behrens informeerde bij den jongen naar de bijzonderheden van verschillende overvallingen door de troepen waarbij T. Radja Sabi aanwezig was geweest; was de pas gemelde knaap inderdaad degene voor wien hij zich uitgaf, dan moest hij van de bijzonderheden dier overvallingen op de hoogte zijn, doch het bleek onmiddellijk dat hij van die tastelijke feiten niets wist, en geen van beide officieren kreeg een goeden indruk van den jongen en diens verhaal. Hij werd voor een paar dagen naar het bivak Leuhong gebracht en daar nogeens stevig door Behrens aan den tand gevoeld, en de knaap viel hierbij door de mand; hij bekende een onderschoven object te zijn.

Van dit alles werd schriftelijk mededeeling gedaan aan gouverneur Swart die antwoordde: nog niet de overtuiging te hebben dat de jongen niet T. Radja Sabi was. Opgemerkt moet worden dat de oeléëbalang T. Tjhi Bentara, oom van den jongen, meende dat hij wel de echte was.

Swart’s verdict at Lho Seumawé

Swart bepaalde dat allerlei personen, familieleden, relaties en bekenden, één voor één bij den jongen moesten worden toegelaten en dat moest worden gerapporteerd wat bij die ontmoetingen zou blijken. De jongen was, voor alle zekerheid, in de woning van den gezagvoerder geïsoleerd. Toen begon dit deel van het onderzoek, waarvoor zelfs Atjehers van Sigli en Koetaradja waren overgekomen.

Één voor één kwamen zij bij den jongen en bogen naar Atjehsche gewoonte met de hand tegen het hoofd, met den eerbiedigen groet: “Mijn Vorst”. Zoowel in hun houding als in hunne gebaren werden de eerbied en de onderdanigheid getoond welke de Atjeher voor zijn vorsten heeft, en men zei tot den controleur, zonder eenige aarzeling: “Hij is het”. Één was er die den jongen bij het been vatte en den voet kuste, terwijl de tranen hem uit de oogen druppelden. Een enkele was zoo onmatig geëmotioneerd dat het de aandacht trok, velen der bezoekers weenden.

Eenige dagen later belegde Swart te Lho Seumawé eene vergadering, waarvoor alle hoofden van Lho Seumawé en Lho Soekon werden opgeroepen, en Swart zei: “De jongen is Teukoe Radja Sabi”, waartegen niemand protesteerde. Zoo trad verder als zoon der oude oeléëbalangfamilie een jongen op, die inderdaad de zoon was van Tengkoe Radja Imeum, alias Tgk. Moeda Bale Mbang, een zeer eenvoudig oelama in Mbang; de jongen heette eigenlijk Doellah. Hij werd te Koetaradja op landskosten op school gedaan om te worden opgeleid voor het oeléëbalangscha, dat hem later wachtte.

Significance

Aldus vond één der grootste, en interessantste, mystificaties plaats welke de Atjeh-historie kent, berustend op een gansch complex van dwalingen en fouten. The zeer besliste rapport-Behrens, met de bekentenis van den jongen zelf, had niet zonder overweldigend contrabewijs mogen worden genegeerd. Zentgraff is restrained on the motives: Vraagt men naar de motieven die bepaalde personen hebben bewogen tot het opzetten dezer mystificatie, dan moet ik het antwoord schuldig blijven ondanks mijne informaties in allerlei richtingen. Sommigen zeggen: de gouverneur wilde, dat de jongen zich meldde, en men nam er toen maar een. Anderen: door de inschuiving van een willekeurigen candidaat hoopte men dat de Kompeuni den echten zoon verder met rust zou laten en niet meer opjagen. Nog anderen: het was den intriganten te doen om eene geldelijke belooning. Ook generaal Swart kan er geen positief antwoord op geven, en zoo blijft het raden en gissen.

For the real T. Radja Sabi the consequence was de verlenging zijner misère met nog een paar jaren, en de kans dat hij door een der patrouilles zou worden neergelegd — until 13 March 1919, when he was recognised at Lho Seumawé and the pseudo-Radja Sabi was sent back, hij heette weer Doellah, zonder meer, to work as a bookbinder at the bestuurskantoor, later als mandoer aan de wegen in het landschap Tjoenda.

See Also

Source

Atjeh, door H.C. Zentgraff. Gedrukt bij Drukkerij “De Unie”, 1938, Batavia. OCR-filename: 20260709_002148_DLP-81-Atjeh_OCR.txt.