The Death of Tengkoe di Barat in 1912 — the overval of kapitein Behrens’s two brigades on the schuilplaats of Tengkoe di Barat in the upper reaches of the Aloeë Soea — was the closing episode of the long jacht on the Heer van het Westen, the Atjehsche Maarten van Rossum whose terreur had spread through Keureutoë, Pasé and Lho Soekon and as far as the eastern Gajoeland. Behrens, pas bij de maréchaussée ingedeeld, sat him on the hielen with two brigades; at the spits ran the Amboneesche sergeant Dambohpulu, een vierentwintig karaats boschlooper. The end, when it came, was Comme ils tombent bien: the Tengkoe’s first two shots misfired, sergeant Hanff’s first shot also misfired, the Tengkoe’s right arm was hit and he passed his karabijn to his wife, who placed herself before him; one bullet killed both.

The spoor at Aloeë Soea

Jaren heeft men op Tengkoe di Barat gejaagd, en voor hem kwam het noodlot in den loop van 1912. Behrens, pas bij de maréchaussée ingedeeld, zat hem toen met twee brigades op de hielen, en in de spits liep een voortreffelijk spoorzoeker, de Amboneesche sergeant Dambohpulu. Deze vond aan de Aloeë Soea “bekas” van de fourageurs der bende van den Tengkoe, en met uiterste moeite kon de brigade deze goed verborgen en deels weggewerkte sporen volgen. Dambohpulu, een vierentwintig karaats boschlooper, liep aan de spits, voorover gebogen en turend naar den grond en de begroeïng rondom. Hij was al met heel weinig tevreden; een kleine fout van de bende, en het zou in orde komen, behalve dan natuurlijk voor die bende.

De grond lag vol blaren, en het boschloopeersinstinct, meer nog dan het reële zintuig, hadden hem doen opmerken dat op sommige plekken de bladeren wat vaster in den grond waren getrapt dan normaal het geval is. Dit is voldoende waarschuwing, want een dier verbergt zijn sporen in het bosch niet; dit doet alleen de mensch, en als men in het bosch een afgekapten tak ziet, of zoo, dan is dit voor een spoorzoeker evenveel waard als een authentiek bericht over den marsch der bende.

The 16 best maréchaussée’s

Eindelijk vond hij zeer versche “bekas” in karangachtigen grond; als het zoover is maakt zich zoowel van commandant als maréchaussée’s eene nerveuze spanning meester. Men won zienderoogen op de bende die niet meer veraf kon zijn, en liep met de grootst mogelijke snelheid, uiterst voorzichtig omdat de kans is verkeken als men zelf wordt gezien of gehoord door een vijand die steeds op zijn qui-vive is. Er werd dien dag door de maréchaussée’s niet gekookt, en omdat het met de levensmiddelen wat krap was geworden, zocht Behrens de 16 beste maréchaussée’s uit de twee brigades, en zond de anderen naar het bivak terug. Voor de overigen werd het tempo der vervolging nog wat sneller; het was nu eene keurbende.

The hutjes by the waterfall

Plotseling zag men rook opstijgen uit eene kleine aloer en men maakte haastig de mise-en-scène gereed voor het laatste bedrijf. De 16 man werden in drie groepen verdeeld waarvan er twee de schuilplaats, waaruit de blauwe rook opsteeg, zouden omtrekken. Er lag een waterval tusschen die plek en de maréchaussée’s, en op handen en voeten kropen de mannen door de ruigte, onhoorbaar en onzichtbaar. Nu en dan sleepte men zich op den buik verder… het was nog maar eene kwestie van minuten. Beneden den waterval stonden vier primitieve hutjes, en hierin zaten, onbewust van het gevaar, Tengkoe di Barat met zijn vrouw en twee volgelingen die eveneens hunne vrouwen bij zich hadden met vier kinderen, waaronder twee van den Tengkoe.

The overval

De maréchaussée’s waren voortgekropen tot terzijde en boven de hutten; toen vloog de groep onder sergeant Hanff door het beekje heen tot den waterval en liet zich, met het water, omlaag vallen, tot bij de hutten. Hoe de schrik ook mocht zijn geslagen in den Tengkoe en zijn menschen, zij waren aan den krijg gewoon en onmiddellijk paraat. De Tengkoe nam met zijn mannen stelling tusschen de groote steenen, en direct stond zijn vrouw, een echte dochter van dit vechtersvolk, naast hem. Hij was al klaar om te schieten vóór Hanff weer op de been was; hij richtte op den sergeant en trok af, doch het schot weigerde, en het tweede ook. De wijzer van zijn leven haperde even, vóór zij voor immer zou stilstaan. Toen was de beurt aan Hanff, en zie: ook diens eerste schot weigerde. Het was bijna alsof er een oordeel boven hen hing.

Intusschen schoten de andere maréchaussée’s; een kogel trof den Tengkoe in den rechterarm die slap neerviel, doch hij gaf snel zijn karabijn over aan zijn vrouw en hield met zijn bruikbare linkerhand de rentjong. Toen kwam zijn vrouw en plaatste zich vóór haar man. Zoo stond de vrouw vóór haar man, toen één kogel beiden doodelijk verwondde. Hij stierf zeer vlug, en zij volgde hem een uur later. Dit was het einde van Tengkoe di Barat, en van de andere voorname oelama’s in die streek, die “sjahid” verkozen boven “mèl”.

Significance

Comme ils tombent bienhow well they fall — closes the chapter. The Tengkoe di Barat had been a leerling van Tgk. di Mata le en met diens dochter gehuurd — a pupil of Tgk. di Mata Ië, married to that oelama’s daughter — and his terreur had spread niet alleen in het Westen, doch ook in ander gebied. Hij was een Atjehsche Maarten van Rossum, die te vuur en te zwaard woedde, ook tegen zijn eigen landgenooten als dit in zijn tactiek paste. With his death, the principal aanvoerders of the second Keureutoe oorlog were gone — Pang Nanggroë killed by Van Slooten on 25 September 1910, Tjoet Meuthia by Mosselman on 25 October 1910, Tgk. di Barat by Behrens in 1912. The shooting of husband and wife by a single bullet — eene kogel die het merk van het Fatum droeg; hij nam zijn weg door het lichaam der vrouw en daarna door dat van haar man — was, Zentgraff writes, the kind of death that voor beiden “sjahid” was.

See Also

Source

Atjeh, door H.C. Zentgraff. Gedrukt bij Drukkerij “De Unie”, 1938, Batavia. OCR-filename: 20260709_002148_DLP-81-Atjeh_OCR.txt.