Aneukgalong — also Anakgaloeng, Aneuëgalong — is the benteng (fortified place) in Groot-Atjeh that, after the overloopen of Teukoe Oemar in 1896, was abandoned by the Dutch and immediately seized and fortified by the enemy. Natuurlijk moest de benteng toen weer door ons worden hernomen; het waren eigenlijk dwaze tijden na de groote verwarring, en wij moesten soms van daag heftig kampen om iets dat wij gisteren vrijwillig hadden prijsgegeven — naturally the benteng had then to be retaken by us; they were really foolish times after the great confusion, and we sometimes had to fight hard today for something we had yesterday voluntarily given up.
The fall of Aneukgalong, 28-29 March 1896
The bestorming (storming) was led by overste Van Heutsz, with kapitein Van Daalen as his chef-staf. Tgk. Mat Amin di Tiro — eldest son of Tengkoe Sjech Saman di Tiro — had led the defence, with his brother Tgk. di Boekit and about two hundred men; zij vochten met een paar honderd man voor alles wat zij waard waren — they fought with a couple of hundred men for everything they were worth. Het was voor het in 1896 in opkomst zijnde korps Maréchaussée een der éclatantste wapenfeiten — it was for the in-1896-rising Korps Maréchaussée one of the most éclatant feats of arms. Onder Graafland was de benteng in den heel vroegen ochtend vrijwel volkomen omsingeld, zoodat de bezetting, figuurlijk gesproken, met den rug tegen den muur stond — under Graafland the benteng was in the very early morning virtually completely surrounded, so that the garrison, figuratively speaking, had its back to the wall.
The storming
De Atjehers vochten als leeuwen: sommigen stortten zich liever in de brandende barakken dan zich over te geven. Het was een bitter, “hand-to-hand-fighting”: kwartier werd niet gevraagd en niet gegeven — the Atjehers fought like lions: some threw themselves rather into the burning barracks than surrender. It was a bitter hand-to-hand-fighting; quarter was neither asked nor given. The detail is given in Van Daalen’s letter of 5 July 1896 to his wife in Java:
Nu een verhaal van mijn laatsten tocht, het groote succes van Anakgalong. Precies 12 uur middernacht van den 28en marcheerden wij met twee bataljons en de maréchaussée af naar Lambaroe, onder de bevelen van overste Van Heutsz, en mij als chef-staf. Na een kop koffie bij overste Bisschoff te Lambaroe te hebben gedronken, marcheerden wij om halfdrie af naar Anakgalong. Het was maneschijn, en men had bericht dat de bezetting van die benteng = 200 man bedroeg. Onderweg waren twee bruggen afgebroken zoodat wij ook daarmee soesah hadden. Enfin, tegen half vijf kwamen wij er voor, en om kwart voor 5 viel het eerste schot en begon de bestorming met het gevecht van man tegen man binnen de benteng, en om 5 uur was alles afgeloopen. Het was een interessant moment, dat gevecht; alles vrij donker en niets anders hoorend dan geknal van geweervuur en geschreeuw van Inlanders. De Atjehers lieten dan ook 110 lijken in onze handen en twee levende, licht gewonde jongetjes van 5 en 6 jaren oud.
The dead of the Tiro-family
Among the dead was Tgk. Mat Amin di Tiro himself, eldest son of Tgk. Sjech Saman di Tiro. His body was carried by his people to kampong Moereuë — not far from Indrapoeri — and buried beside that of his father, in the same kandang. De gewone wasschingen en ceremoniën waren niet noodig voor iemand die viel in den heiligen oorlog — the ordinary washings and ceremonies were not necessary for one who fell in the holy war. The small building — Knddagg: gebouwtje met de graven van den vermaarden Tengkoe Sech Saman di Tiro en zijn bij Anakgaloeng gesneuvelden zoon Tgk. Mat Amin, nabij kampong Moereuë (Indrapoeri) — was photographed by Zentgraff, the grave of Tgk. Sjech Saman covered with a white cloth.
The two living wounded boys
Of the Atjehers in the benteng, only two living were found — licht gewonde jongetjes van 5 en 6 jaren oud — lightly wounded boys of 5 and 6 years old. The little boys came of a people for whom sneuvelen in den krijg is, op zichzelf beschouwd, geen verdienste doch oorlogsrisico; het is geen bewust gebracht offer doch eene consequentie welke wordt ondergaan — to fall in war is, in itself, no merit but a risk of war; it is no consciously brought sacrifice but a consequence that is undergone. But of the Tiro-oelama’s: in de vrije keuze: leven of sterven, kozen zij het laatste, en zij maakten hiermee, naar Atjehsche opvatting, meer goed dan eenig mensch in zijn leven kwaad kan doen — in the free choice: life or death, they chose the latter, and thereby, by Atjehsche reckoning, did more good than any man in his life can do evil.
Significance
The fall of Aneukgalong was the éclatantste wapenfeit of the young Korps Maréchaussée, and the opening of Van Heutsz’s systematic campaign. With the death of Tgk. Mat Amin the leadership of the Tiro-family passed to the younger sons Tgk. di Boekit and Tgk. Majet, and ultimately to the grandson Tgk. Tjhi Maät — een kleinzoon van den grooten Tiro-oelama die den resident sommeerde, tot den Islam over te gaan. Het duurde, na den val van Aneukgalong, nog jaren vóór het krijgsbedrijf zich in den guerilla-oorlog om hen concentreerde — it was years after the fall of Aneukgalong before the war-business concentrated itself in the guerrilla around them.
See Also
- Groot-Atjeh
- Koetaradja
- Indrapoeri
- Joannes Benedictus van Heutsz
- G.C.E. van Daalen
- Graafland
- Teukoe Oemar
- Tengkoe Sjech Saman di Tiro
- Tengkoe Mat Amin di Tiro
- Tengkoe di Boekit
- Tengkoe Majet di Tiro
- Tengkoe Tjhi Maät di Tiro
- Defection of Teukoe Oemar (1896)
- Fall of Aneukgalong (1896)
- Sjahid
- Prang sabil
- 1896
Source
Atjeh, door H.C. Zentgraff. Gedrukt bij Drukkerij “De Unie”, 1938, Batavia. OCR-filename: 20260709_002148_DLP-81-Atjeh_OCR.txt.