The Lhong punitive expedition of April 1897 — the Lhong-kwestie — was the tuchtigingsexpeditie carried out against the landschap Lhong on the Westkust after Teukoe Oemar, driven from Leupoeëng, zich daar weer nestelde na het vertrek onzer troepen. The oeléëbalang of Lhong was heuling with the enemy; the governor fined the landschap f 30.000. Lhong, in dat weinig bevolkte en arme gebied, kon niet betalen — the fine was impossible. The cattle were confiscated, shipped in prauwen to Koetaradja, and many stierven of hunger or wounds on the way; the gold and silver sieraden of the women — enkelringen, armbanden — were seized in house-searches. The kapitein Van Daalen’s pencil-notes from Bivak Tamoen of 22 April27 April 1897Arme drommels! — preserve the protest of an officer against geen oorlog meer doch eene wraakoefening.

The fine and its impossibility

Nadat T. Oemar uit Lepong (Leupoeëng, ter Westkust) was verdreven, nestelde hij zich daar weer na het vertrek onzer troepen. Aan het landschap Lhong werd eene boete van f 30.000 opgelegd omdat de oeléëbalang met den vijand heulde. Het is voor een Hollander niet prettig over ons optreden in Lhong in April 1897 te moeten schrijven; ik denk er echter niet aan in een boek, dat vooral waarheid over Atjeh wil brengen, te verzwijgen wat beschamend voor ons was. Lhong betaalde niet, kon niet betalen; in dat weinig bevolkte en arme gebied waren onmogelijk 30,000 bij elkaar te krijgen. Dit had de leiding te Koetaradja over het hoofd gezien, doch in plaats van deze ernstige vergissing te corrigeeren en de straf — indien deze al aan de bevolking behoorde te worden opgelegd — te verzachten, hield de leiding voet bij stuk en bepaalde dat, als de bevolking het geld niet opbracht, haar vee in beslag moest worden genomen en in prauwen naar Koetaradja gezonden. Dit werd eene hoogst ernstige en onverantwoordelijke fout; het was geen oorlog meer doch eene wraakoefening, deels op onschuldigen, welke tevens eene beleediging van ons leger werd.

Van Daalen’s pencil-notes from Bivak Tamoen

Van Daalen schreef, in die drukke dagen, slechts enkele potloodkladjes aan zijn vrouw:

Bivak Tamoen, 22 April ‘97. Teukoe Lehong heeft nog geen cent betaald. ‘t Is bepaald komisch zooals die heele geschiedenis hier loopt door het slechte beleid van de hooge lui te Koetaradja. Nu moeten ze maar zelf raad schaffen en de kastanjes uit het vuur komen halen. Ze hebben hun verdiende loon met het malle figuur dat ze nu maken.

Bivak Tamoen, 25 April ‘97. We zijn nu druk bezig met vee laden als betaling van de boete. ‘t Is voor [niets]. De gouverneur heeft gelast om in de kampongs maar de groote huizen te verbranden, wanneer ze de boete niet betalen. Eerst wilde hij ook maar menschen laten doodschieuten, maar daartegen hebben wij hier geprotesteerd. Ook van dat branden wilden wij de verantwoording niet op ons nemen, maar toen nam de Gouverneur de volle verantwoordelijkheid op zich. ‘t Is beschamend en ik verlang daarom ook om hiervandaan te komen.

Bivak Tamoen, 27 April 1897. Hier geen nieuws. Het wordt hoe langer hoe taaler. De bevolking brengt geen geld, maar karbouwen binnen. Arme drommels!

Juist: “arme drommels”, en de zwaarste straffen, het verlies van het laatste rund, hadden de meesten alleen verdiend omdat de machtige Teukoe Oemar, de “heer der westelijke zee”, zich met zijn benden in hun land ophield, en de oeléëbalang met hem heulde.

The cattle and the jewellery

Wij moesten — zoo vertelde [de ooggetuige] — in de kampongs de sapi’s en karbouwen bij elkaar drijven, doch een deel der verzamelde dieren stierf al vóór de inscheping door voedselgebrek; er was geen voldoende gras in die buurt, en zij die de opdracht hadden gegeven het vee bijeen te drijven, hadden er niet aan gedacht dat zelfs vee eten en drinken moet, dat de inscheping erg traag ging zoodat het vele dagen duurde vóór een deel was ingescheept. Al dien tijd bleven de dieren zonder verzorging; eene vechtcolonne is op veeverzorging niet ingericht. Het vee werd door de soldaten, meestal “à contre coeur”, bijeengedreven; dieren die onwillig waren of zich niet vlug lieten vangen werden doodgeschoten. In heel de streek hing de stank van de verrotte dieren.

En omdat de opgelegde boete, ook met de beslaglegging van het vee, maar niet binnenkwam, moest huisonderzoek plaats hebben en werden de gouden en zilveren sieraden in beslag genomen. Van de voeten der vrouwen nam men de enkelringen af, van hare armen de armbanden. Alles werd behoorlijk genoteerd: wat was genomen, en van wien. Dikwijls jammerde een man, als zijn eenige of laatste sapi werd weggehaald of neergeschoten. De vrouwen alleen zwegen; zij gingen rond, trotsch en vol felle haat (want de vrouw is de verzorgster van het bezit), tusschen de geladen geweren der soldaten, en zij spuwden hen hare woede en minachting voor de voeten.

Significance

The Lhong kwestie was, Zentgraff writes, beschamend voor ons — and the more so because Van Daalen — een hard en meedoogenloos strijder, maar die nooit zelf eenig risico trachtte te ontwijken — had been the most outspoken opponent. Ook van dat branden wilden wij de verantwoording niet op ons nemen; ‘t is beschamend en ik verlang daarom ook om hiervandaan te komen — these were the words of the man who would later permit the photographing of the 561 dead at Koeto Lintang. The contrast is the point: Deze zelfde stalen en onbuigzame oorlogsheer verzette zich tegen onnoodige en tactlooze wreedheden als hierboven zijn geschetst. The spitting of the women of Lhong in 1897 was, Zentgraff noted, the same gesture they made in 1933 before the governor and the military commander — bij het nieuwe verzet dat elf weduwen en twintig weezen vormde: een nieuwe kern van haat. En in 1935 laaide het verzet weer even op.

See Also

Source

Atjeh, door H.C. Zentgraff. Gedrukt bij Drukkerij “De Unie”, 1938, Batavia. OCR-filename: 20260709_002148_DLP-81-Atjeh_OCR.txt.