Struijvenbergkapitein Struijvenberg — was the Dutch officer of the Korps Maréchaussée who, op 2 April 1930, the 40-year jubilee day of the korps, heeft kapitein Struijvenberg een zeer nuttig overzicht geschreven, waaruit ik straks enkele feiten en cijfers zal overnemen — wrote a very useful overview, from which I shall presently take over some facts and figures. His boekje (little book) is one of Zentgraff’s principal sources for the early history of the korps.

The djaksa of Koetaradja and the conception of the maréchaussée

In his overzicht Struijvenberg records, met een enkel woord, that the toenmalige djaksa te Koetaradja — the then djaksa (public prosecutor) at Koetaradja, i.e. Mohamad Arifeigenlijk de aandacht vestigde op de mogelijkheid, het verzet in Atjeh te breken door de vorming van een korps als het thans besprokene — actually drew attention to the possibility of breaking the resistance in Atjeh by the formation of a corps like the one now under discussion. Struijvenberg cites:

„Het was de toenmalige djaksa te Koetaradja, die het middel aangaf om de moeilijkheid tot eene oplossing te brengen. Hij betoogde, dat wij op den verkeerden weg waren en, op dezen weg voortgaande, niet alleen den Atjeher geen ontzag zouden inboezemen, veel minder nog hem voor ons zouden winnen, doch het laatste restje respect, dat wij nog in het vijandelijk kamp bezaten, zouden inboeten. Hij raadde daarom aan, een aantal militairen uit te kiezen, die genoeg persoonlijken moed bezaten om den vijand in het wit van de oogen te durven zien, die genoeg zelfvertrouwen bezaten om zich niet angstvallig vast te klemmen aan hun geweer, doch den vijand met het blanke wapen te lijf durfden te gaan, deze mannen op dezelfde wijze te bewapenen als de verzetslieden en hen in mobiele detachementen in te deelen. Deze detachementen moesten dan den Atjeher gaan opzoeken, instede van hem af te wachten. Daardoor en daardoor alleen zou het gelukken, den tegenstander respect in te boezemen en verbetering te brengen in den toestand.”

— It was the then djaksa of Koetaradja who indicated the means to bring the difficulty to a solution. He argued that we were on the wrong road, and that going forward on this road we would not only not impress the Atjeher, much less win him over, but would lose the last remnant of respect we still possessed in the enemy camp. He therefore advised choosing a number of soldiers who had enough personal courage to dare look the enemy in the white of the eyes, who had enough self-confidence not to cling anxiously to their rifles, but dared attack the enemy with the blanke wapen; that these men should be armed in the same way as the resisters and organised in mobile detachments. These detachments were then to go out and seek the Atjeher, instead of waiting for him. Only thus would it be possible to inspire respect in the opponent and bring improvement in the situation.

Gulden woorden, Zentgraff comments — golden words, waarin wel heel precies de vinger werd gelegd op de wonde plekken in ons militair optreden op Atjeh. Vreemd, dat de conceptie van het middel, dat tot zulk een groote succes zou leiden, moest ontstaan in het brein van een Inlandsch burgerambtenaar? — in which the finger was very precisely laid on the sore spots in our military action on Atjeh. Strange, that the conception of the means that would lead to such great success had to arise in the brain of an Inlandsch civil official?

The Notten berisping episode

Struijvenberg’s boekje is also the source for the waaghalzerij episode under the first commandant, kapitein Notten. „Een brigadecommandant, des nachts op hinderlaag liggende in den rand van het door ons geoccupeerde gebied, zag zijn kans schoon om een stout stukje te ondernemen. Hij maakte met zijne brigade een klein uitstapje op vijandelijk gebied en wist door beleidvol optreden een Atjehsch voorwerkje te bezetten en geheel te vernielen. De kapitein Notten, het voorval rapporteerende, meldde, dat bedoelde onderofficier door hem ernstig was berispt over zijne waaghalzerij, en dat het strengst mogelijke verbod was uitgevaardigd tegen een dergelijk eigenmachtig optreden, maar voegde er aan toe, dat hij, na die berisping, den bewusten brigadecommandant een woord van lof voor zijn moedig en beleedvol handelen tijdens de patrouille niet had kunnen onthouden.” — The episode is quoted in Zentgraff’s chapter on the slappe periode and the geconcentreerde linie.

Significance

Struijvenberg’s zeer nuttig overzicht and his boekje are the principal printed record of the early history of the Korps Maréchaussée: of its conception (by the djaksa Mohamad Arif), of its first commandant (Notten), of the waaghalzerij berisping, of the governor’s three letters of 1892. Without Struijvenberg’s overview the 40-year jubilee of 1930 would have lacked its public history.

See Also

Source

Atjeh, door H.C. Zentgraff. Gedrukt bij Drukkerij “De Unie”, 1938, Batavia. OCR-filename: 20260709_002148_DLP-81-Atjeh_OCR.txt.