Mohamad Arifhoofddjaksa Mohamad Arif of Koetaradja — was the Inlandsch civil official whose advice to the colonial government gave the original conception of the Korps Maréchaussée. He had been meer dan vijftienjarig verblijf in Atjèh (more than fifteen years’ residence in Atjeh) and was, in the words of Snouck Hurgronje — sharply critical — de toean besar sastrar van Atjèh (the great man of letters of Atjeh). In eene positie, bijna met die van huisjongen gelijkstaande, naar Atjèh gekomen, is hij door slimheid en gunstige omstandigheden tot zijn tegenwoordigen rang opgeklommen (in a position almost equal to that of house-boy he came to Atjèh, and by shrewdness and favourable circumstances he has risen to his present rank).

The conception of the maréchaussée

In the overzicht of kapitein Struijvenberg for the 40-year jubilee of the korps in 1930, it is recorded that de toenmalige djaksa te Koetaradja eigenlijk de aandacht vestigde op de mogelijkheid, het verzet in Atjeh te breken door de vorming van een korps als het thans besprokene — the then djaksa of Koetaradja actually drew attention to the possibility of breaking the resistance in Atjeh by the formation of a corps like the one now under discussion. Mohamad Arif’s argument, in Struijvenberg’s quotation: „Hij betoogde, dat wij op den verkeerden weg waren en, op dezen weg voortgaande, niet alleen den Atjeher geen ontzag zouden inboezemen, veel minder nog hem voor ons zouden winnen, doch het laatste restje respect, dat wij nog in het vijandelijk kamp bezaten, zouden inboeten.” — He argued that we were on the wrong road, and that going forward on this road we would not only not impress the Atjeher, much less win him over, but would lose the last remnant of respect we still possessed in the enemy camp. He advised: choose soldiers with enough personal courage to look the enemy in the white of the eyes, arm them as the resisters are armed, organise them in mobile detachments, en den Atjeher gaan opzoeken, instede van hem af te wachten — and go out and seek the Atjeher, instead of waiting for him. Gulden woorden, Zentgraff calls them.

Snouck Hurgronje’s sharp critique

When Snouck Hurgronje came from Holland to Atjeh for the investigation that became his Verslag over de politiek-religieuse toestanden in Atjeh, heeft hij met de scherpte welke dezen geleerde kenmerkte, zeer onaangename dingen gezegd over the hoofddjaksa: „De hoofddjaksa van Kotaradja, door zijn geslepen handigheid in den omgang met Europeanen en zijn meer dan vijftienjarig verblijf in Atjèh de vraagbaak van vele ambtenaren en daardoor een man van meer invloed op den gang der zaken, dan hem toekomt…” — The head-djaksa of Kotaradja, by his shrewd tact in dealing with Europeans and his more than fifteen years’ residence in Atjèh, the oracle of many officials and therefore a man of more influence on the course of affairs than is his due. Snouck added: „De algemeene Inlandsche opinie, ook van hem volstrekt niet vijandige zijde, signaleert dien man als in hooge mate omkoopbaar, willekeurig en tyranniek en soms op groote schaal deelnemend aan de zoo voordeelige smokkelarij. Hij leeft dan ook op grooter voet dan zijne jaarwedde toelaat en leent nu en dan tegen grove rente geld aan Atjèhsche hoofden als voorschot op door hen te ontvangen tractement.” — The general Inlandsche opinion, also from a side by no means hostile to him, signals this man as highly corruptible, arbitrary, and tyrannical, and sometimes on a great scale participating in the lucrative smuggling. He also lives above his salary and lends now and then at gross interest money to Atjèh chiefs as advance on tractement to be received by them.

The governor’s defence

The then governor of Atjeh answered Snouck in a despatch die de partij van den hoofddjaksa gekozen heeft en krachtig geprotesteerd tegen de wijze waarop hij door prof. Snouck Hurgronje was afgebroken (which took the side of the head-djaksa and vigorously protested against the way he had been torn down by Prof. Snouck Hurgronje):

„Gelijk alle eenzijdig ingelichten, ulterate vlug in het oordeelen, vergat Dr. SNOUCK HURGRONJE het, „hoor en wederhoor” ook tegenover dezen ambtenaar in acht te nemen, wiens prachtige staat van dienst gebaseerd is op het oordeel door 30 à 40 verschillende chefs met wie hij gedurende 15 jaren alhier heeft gewerkt. Ware de Heer SNOUCK eenigszins bekend met het terrein, waarop hij zich waagde, dan zou hij zich een begrip hebben kunnen vormen van den laster, waaraan een djaksa blootstaat, die, zooals MOHAMMAD ARIF gedurende zoovele jaren, honderden heeft moeten vervolgen. Het zou mij geene moeite kosten tegenover de beschuldigingen van den Hr. SNOUCK HURGRONJE feiten op te noemen, die een geheel ander licht op het gedrag, het karakter en diensten van den Hoofddjaksa werpen. Ik heb dan ook nog geene aanleiding kunnen vinden om dezen verdienstelijken man voor ontslag of overplaatsing voor te dragen; integendeel, nog onlangs heb ik bij de indiening der conduitestaten de gelegenheid aangegrepen zijne hoedanigheden van goed Inlandsch ambtenaar te doen uitkomen. Ook op politiek gebied is de Hoofddjaksa werkzaam geweest doch uitsluitend op last van zijne chefs. Ongevraagd betrad hij dat gebied niet. Over zijne groote kennis van personen en toestanden heeft hij menig ambtenaar voor een overijlden stap bewaard.”

— Like all one-sidedly informed, extremely quick to judge, Dr SNOUCK HURGRONJE forgot to observe hoor en wederhoor (due process) also toward this official, whose fine record of service is based on the judgement of 30 to 40 different chiefs with whom he has worked during 15 years here. Had Mr SNOUCK been somewhat familiar with the terrain he ventured onto, he could have formed a notion of the slander to which a djaksa is exposed who, like MOHAMMAD ARIF, has had to prosecute hundreds over so many years. It would be no trouble for me to cite facts against the accusations of Mr SNOUCK HURGRONJE that throw an entirely different light on the conduct, character, and services of the Head-Djaksa. I have also found no occasion to propose this meritorious man for dismissal or transfer; on the contrary, only recently, on submitting the conduitestaten, I seized the opportunity to bring out his qualities as a good Inlandsch official. Also in the political field the Head-Djaksa has been active, but exclusively on the orders of his chiefs. Unsolicited he did not enter that field. Through his great knowledge of persons and conditions he has preserved many an official from an over-hasty step.

Significance

Mohamad Arif’s advice was de conceptie van het middel, dat tot zulk een groote succes zou leiden (the conception of the means that would lead to such great success). Vreemd, dat de conceptie van het middel… moest ontstaan in het brein van een Inlandsch burgerambtenaar — strange, that the conception of the means had to arise in the brain of an Inlandsch civil official. Men weet dat het deze hoofddjaksa is geweest wiens advies aanleiding gaf tot het oprichten van het korps Maréchaussée. Ook al zou een goed deel der beschuldigingen, door prof. Snouck Hurgronje tegen hem gelanceerd, gegrond zijn geweest, dan nog zou hij door zijn advies, hoogerbedoeld, zooveel goed hebben gedaan dat hem veel moet worden vergeven. — It is known that it was this head-djaksa whose advice gave occasion to the founding of the Korps Maréchaussée. Even if a good part of the accusations launched against him by Prof. Snouck Hurgronje had been well-founded, he would still, by his aforesaid advice, have done so much good that much must be forgiven him.

See Also

Source

Atjeh, door H.C. Zentgraff. Gedrukt bij Drukkerij “De Unie”, 1938, Batavia. OCR-filename: 20260709_002148_DLP-81-Atjeh_OCR.txt.