Willem van Leuvensergeant bij de 1e divisie — was the Dutch brigadecommandant of the 1e Divisie Marechaussee in the Gajoeland, alhoewel zijn opgewektheid hem zelden verliet trok zijn hart altijd sterk naar het oude land — though his cheerfulness seldom left him, his heart always strongly drew to the old land. He had been in Holland slagersjongen geweest — a butcher’s boy in Holland — en kende het vak op zijn duimpje (knew the trade on his thumb). His name is preserved in the bosschen van het Gajoeland by his poëtische inscripties on the bark of trees.

The tree-bark inscriptions

It was the goede gebruik (good custom) that in absolutely virgin woud the patrouillecommandanten, before breaking up in the morning from the primitive bivakje, would cut a piece of bark from a tree — or in that bark, in a striking place, would carve the number of brigade and division, with the date and the direction taken. Alleen als Willem van Leuven er geweest was, kon men iets bijzonders lezen: Overal in de bosschen van het Gajoeland las men de uitingen van zijn goed Hollandsch hart. — Only if Willem van Leuven had been there could one read something special: everywhere in the woods of the Gajoeland one read the outpourings of his good Dutch heart. Had he bivouacked by a bergstream, between the rocks: „Verboden grint te scheppen” — forbidden to scoop gravel. If there was a narrow steep path with nothing but depth beside it, what the maréchaussée call a „tangga kambing” (goat-stair): „Art. 13 Wetb. van Strafr.: Verboden buiten de paden te loopen” — Art. 13 Penal Code: forbidden to walk outside the paths. Followed a brigade an old kapspoor through the woods, and found in the trees inscriptions like: „Boschjes van Poot”, or „Naar het strand”, and „Grens Haarlemmerhout”dan stonden de mannen even stil en de baas zei: „Hier is Willem van Leuven geweest.” Ploughing through an endless moor, clambering through stinking root-complexes: „De Veluwe” — and one foeterde even op dien verduivelden Willem (cursed a bit at that devilish Willem).

Slager for the brigades

Willem had een voor de rimboe onwaardeerbaar talent; hij was in Holland slagersjongen geweest, en kende het vak op zijn duimpje. Vooral met het varken kon hij uitstekend overweg, en voor de bivaks waarin hij met zijn brigade enkele dagen had gezeten, hing altijd de prikkelende lucht van gebraad. — Willem had, for the rimboe, an invaluable talent; he had been a butcher’s boy in Holland, and knew the trade on his thumb. Especially with the pig he could get along excellently, and in the bivaks where he had sat with his brigade for a few days there always hung the pungent smell of roast. Steeds hadden de mannen van zijn brigade wat te snierken, waarbij Willem deskundige aanwijzingen gaf — his men always had something to tuck into, with Willem giving expert directions.

The wild pig at Koeta Tjané

His meesterstuk he delivered with that fat pig, een eindje ten Noorden van Koeta Tjané, in het Alas-dal. It was actually not a wild boar but a pig, vet en goed en onderhouden, belonging to a Chinese who had a tuintje and kept pigs in that land. Het gebeurde dat Mosselman in die contrijen liep, terugkeerend naar zijn brigade, toen hij in een suikerriettuintje geritsel hoorde en een groot varken zag dat regelrecht op hem afkwam zoodat hij wel verplicht was, het neer te schieten. — It happened that Mosselman was walking in those parts, returning to his brigade, when he heard a rustling in a sugar-cane patch and saw a large pig coming straight at him, so that he was obliged to shoot it. „Willem, hier is een tjèlèng; maak er eens wat van.” — Willem, here is a pig; make something of it. Willem kwam, en keek met halfgesloten oogen naar het dier. Toen stelde hij zijn oogen op het grootste diaphragma en zag naar Mosselman; ze keken elkaar aan als Auguren. „Een echt wild varken,” zei Willem, en haalde zijn pekakas — A real wild pig, said Willem, and took out his things. The next day groote zijden spek, een paar vingers dik, en een paar hammen in den rook hung at the bivak; Willem had het als streng slager, naar de eischen van het vak, uitgebeend. He made lange slierten worst, en hoofdkaas, and on the following days gerookt spek, en ham, en carbonade, en dit en dat. He even made baekechte en onvervalschte balkenbrijde eenige keer geweest, dat in het Gajoeland echte en onvervalschte balkenbrei is gegeten; er is nog lang over gesproken — the only time that real and unadulterate balkenbrij was eaten in the Gajoeland; it was long spoken of.

The fatal patrol to Beneden-Tripa

Voor Willem kwam spoedig het ongelukkige slot. Hij moest op patrouille naar de Beneden-Tripa, een „rietland” zooals hij zei, en hij nam eerst een flink voorschot. Dat deden alle gehaaide brigadecommandanten als ze er op uit moesten: steeds één maand meer voorschot nemen dan de tocht zou duren. „Je moet altijd zorgen dat, als er wat met je gebeurd, het Gouvernement een strop aan je heeft, en dat de Wees- en Boedelkamer niets van je te pakken krijgt.” — For Willem the unhappy end came soon. He had to go on patrol to the Lower Tripa, a „rietland” (reed-land) as he called it, and he first took a substantial advance. That did all shrewd brigadecommandanten when they had to go out: always take one month more advance than the march would last. „You must always see to it that, if something happens to you, the Gouvernement has a loss on you, and the Wees- en Boedelkamer (Orphans’ and Estate Chamber) gets nothing of you.” Gouvernement and Wees- en Boedelkamer were, in the eyes of the old soldiers, three somewhat mysterious and always hostile powers, out to trip up a soldier, at least to short-change him. Zoo deed ook Willem toen hij naar de Beneden-Tripa moest, en hij zei: „Als ik niet terugkom zullen ze van mij niet rijk worden.” — So did Willem too when he had to go to the Lower Tripa, and he said: „If I don’t come back, they won’t get rich from me.”

Hij kwam niet terug. Op zijn marsch heeft hij nog wat passende inscripties gemaakt: „Voetgangers rechts houden”, en zoo, maar het heeft niet lang geduurd. Na zes dagen kwam de brigade terug, zonder hem. De menschen waren erg in de war en zeiden van den baas: dia tinggal mati. Er werd dadelijk eene patrouille uitgezonden; het was intusschen gebleken dat de brigade van Willem in het bosch een klewangaanval had gekregen, en dat er een paniekje was ontstaan. De teruggekomen mannen waren zeer gedemoraliseerd. De uitgezonden patrouille vond Willems laatste bivak, waar hij twee dagen was gebleven. Vermoedelijk is hij niet voldoende waakzaam geweest, of de beelden van het oude Land hadden die van de wildernis verdrongen. Toen was onverwacht de klewangaanval gekomen, en in paniek hadden de maréchaussée’s heftig en lang geschoten. Willem was gedood door een schot in het hoofd, en men had hem op de plek begraven. — He did not come back. On his march he had still made some fitting inscriptions: „Voetgangers rechts houden”, and so, but it did not last long. After six days the brigade came back, without him. The men were very confused and said of the baas: dia tinggal mati (he stayed dead). A patrol was at once sent out; it had in the meantime become clear that Willem’s brigade had been klewangaanval’d in the woods, and that a little panic had arisen. The returned men were highly demoralised. The sent-out patrol found Willem’s last bivak, where he had stayed two days. Probably he had not been sufficiently watchful, or the images of the old Land had driven out those of the wilderness. Then the klewangaanval came unexpectedly, and in panic the maréchaussée’s had fired heavily and long. Willem was killed by a shot to the head, and they had buried him on the spot.

Reburial

De uitgezonden patrouille kwam daar; het was een woest en troosteloos terrein, een smal dal bij de kali, met hoogerop een plateautje. Daar had Willem het schot gekregen. Men hoefde niet lang te zoeken naar de plek waar hij begraven was; een penetrante lijkenlucht — hij was een dag of zeven dood — kwam uit de steenen die op het graf waren gelegd, want het lijk lag niet diep in den grond. Er moest wat gedaan worden voor den vroolijken Willem, en een behoorlijk graf op een goede plek was wel het minste dat men kon geven aan den ouden slager en componist van dichterlijke inscripties. Die goede plek werd gevonden, en de dwangarbeiders groeven daar een diepen kuil. Daarheen werd het restant van Willem van Leuven overgebracht, en dit was eene verschrikkelijke corvée door den onuitstaanbaren stank. Op het graf werden veel zware steenen gestapeld, en toen ging de patrouille naar huis. — The sent-out patrol came there; it was a wild and desolate terrain, a narrow valley by the kali, with a plateau higher up. There Willem had received the shot. One did not have to search long for the place where he was buried; a penetrating corpse-smell — he was some seven days dead — came from the stones laid on the grave, for the body lay not deep in the ground. Something had to be done for the cheerful Willem, and a proper grave in a good place was the least one could give the old butcher and composer of poetic inscriptions. That good place was found, and the dwangarbeiders dug a deep pit there. Thither the remains of Willem van Leuven were brought, and this was a terrible corvée because of the unbearable stench. On the grave many heavy stones were piled, and then the patrol went home. Nu was het uit met de inscripties in de schors der boomen, de leuke wegwijzers, en ook met de heerlijke slagersgerechten; en de balkenbrei. — Now it was over with the inscriptions in the bark of the trees, the amusing signposts, and also with the delicious butcher’s dishes; and the balkenbrij.

Significance

Willem van Leuven is the type of the brigadecommandant who combined soldier’s craft with civilian trade — the slagersjongen from Holland whose balkenbrij in the Gajoeland is still remembered. His inscripties„De Veluwe”, „Grens Haarlemmerhout”, „Verboden grint te scheppen” — are the small Dutch voice in the wilderness, a melancholy comedy that the bosschen van het Gajoeland kept for years after his death.

See Also

Source

Atjeh, door H.C. Zentgraff. Gedrukt bij Drukkerij “De Unie”, 1938, Batavia. OCR-filename: 20260709_002148_DLP-81-Atjeh_OCR.txt.