Sociëteit Sic Semper was the deftige societeit — the fashionable officers’ society — at Utrecht at which the young Tweede-Luitenant C. J. Snijders, then serving with the Staf der Genie at the Eerste Stelling te Utrecht, first heard of the government’s call for volunteer officers for the second Aceh expedition in May 1873. The episode — Snijders’ immediate decision to apply, taken in conversation with an older comrade who had himself decided to volunteer — is recorded in the 1944 biography by Van den Berg as the somewhat accidental beginning of Snijders’ Atjeh service.

The Episode of May 1873

After the failure of the Eerste Atjeh-expeditie under Generaal-Majoor Köhler in April 1873, the Dutch government called for volunteer officers from the metropolitan army for a two-year detachment to the Nederlandsch-Indisch Leger. Snijders, then at Utrecht, heard of the call at the society Sic Semper from a senior comrade and immediately applied. In Snijders’ own later account:

“Eigenlijk heel toevallig. De eerste Atjeh-expeditie van 1873 was niet naar wensch verloopen. Bij de voorbereiding van de nieuwe krijgsverrichtingen stelde onze Regeering in Mei ‘73 voor 40 officieren, waaronder 4 van de genie, de gelegenheid open voor eene detacheering van twee jaar bij het Indische Leger. Ik hoorde het eerst van die oproeping des avonds op de deftige societeit Sic Semper te Utrecht door een van mijne oudere kameraden, die besloten had zich op te geven. ‘Dan doe ik het ook,’ zei ik, en den volgenden dag diende ik een verzoek in.”

The sequel is recorded under Koninklijk Besluit of 10 June 1873 No. 33 and the Bataillon Mineurs en Sappeurs service in Atjeh.

See Also

Source

D. van den Berg, Cornelis Jacobus Snijders (1852–1939): Een leven in dienst van zijn Land en zijn Volk (Voorburg: September 1944), p. 21. Koninklijke Bibliotheek shelfmark 0301 4872.

Sociëteit Sic Semper was the deftige societeit — the fashionable officers’ society — at Utrecht at which the young Tweede-Luitenant C. J. Snijders, then serving with the Staf der Genie at the Eerste Stelling te Utrecht, first heard of the government’s call for volunteer officers for the second Aceh expedition in May 1873. The episode — Snijders’ immediate decision to apply, taken in conversation with an older comrade who had himself decided to volunteer — is recorded in the 1944 biography by Van den Berg as the somewhat accidental beginning of Snijders’ Atjeh service.

The Episode of May 1873

After the failure of the Eerste Atjeh-expeditie under Generaal-Majoor Köhler in April 1873, the Dutch government called for volunteer officers from the metropolitan army for a two-year detachment to the Nederlandsch-Indisch Leger. Snijders, then at Utrecht, heard of the call at the society Sic Semper from a senior comrade and immediately applied. In Snijders’ own later account:

“Eigenlijk heel toevallig. De eerste Atjeh-expeditie van 1873 was niet naar wensch verloopen. Bij de voorbereiding van de nieuwe krijgsverrichtingen stelde onze Regeering in Mei ‘73 voor 40 officieren, waaronder 4 van de genie, de gelegenheid open voor eene detacheering van twee jaar bij het Indische Leger. Ik hoorde het eerst van die oproeping des avonds op de deftige societeit Sic Semper te Utrecht door een van mijne oudere kameraden, die besloten had zich op te geven. ‘Dan doe ik het ook,’ zei ik, en den volgenden dag diende ik een verzoek in.”

The sequel is recorded under Koninklijk Besluit of 10 June 1873 No. 33 and the Bataillon Mineurs en Sappeurs service in Atjeh.

See Also

Source

D. van den Berg, Cornelis Jacobus Snijders (1852–1939): Een leven in dienst van zijn Land en zijn Volk (Voorburg: September 1944), p. 21. Koninklijke Bibliotheek shelfmark 0301 4872.