The Leusoeng — pronounced lesoeng — was the foot-paddle rice-pounder of the Atjehnese, by which the gabah (unhusked rice) was pounded into bras (rice). Broersma describes the Atjehnese woman at work: ‘Men stelle zich een paal voor, ongeveer 3 meter lang, aan het eene eind waarvan een stampblok hangt. De paal ligt over een steun heen en wanneer de vrouw aan het andere eind met den voet drukt, gaat de stamper op, laat zij los, dan valt hij in een bak op de padikorrels. Voor de stampende vrouw een degelijke knieoefening, is het stampen overigens een hoogst eenvoudige wijze van ontbolstering, die veel gebroken korrel geeft.’ The refuse — the dedek or rice-bran — is given to the chickens. Because the dedek is thus preserved, the married Atjehnese prefers to buy padi rather than rice.
See Also
Source
Verkenningen in Atjeh, by Dr. R. Broersma (De Locomotief, October 1923), chapter III, ‘Langsa’, p. 13.
Source
Verkenningen in Atjeh, by Dr. R. Broersma (De Locomotief, October 1923); Atjeh Patchouli-Olie, by Ir. W. Spoon (1932), where applicable.